Literatuurstudie van (inter)nationaal onderzoek
In onderstaand stuk wordt onderzoek uit verschillende landen en over verschillende talen gepresenteerd. In de bibliografie staan referenties naar alle onderzoeken die worden beschreven. Ook staat daar nog een lijst met aanbevolen literatuur voor wie nog meer onderzoeken op dit terrein wil bestuderen

Eentaligheid/tweetaligheid en taalstoornis: geen verschil?
In een aantal recente publicaties van Nederlandse onderzoekers worden twee nieuwe instrumenten beschreven: een quasi-universele non-woord repetitietaak (QU-NWRT) en een (na)verteltaak, de MAIN (Multilingual Assessment Instrument for Narratives). Beide instrumenten worden onderzocht op hun bruikbaarheid bij het diagnosticeren van meertalige kinderen met een vermoeden van TOS. Daarbij is de insteek dat de instrumenten zodanig werden ontwikkeld dat het niveau van taalvaardigheid de uitkomsten niet zou beïnvloeden. De herhaaltaak bestaat uit non-woorden van verschillende lengte die niet, zoals meestal in een non-woord leestaak, gebaseerd zijn op de fonotaxis van het Nederlands, maar ze zijn gebaseerd op wat de onderzoekers universele klankcombinaties noemen: series van opeenvolging van klinker-medeklinker-klinker-medeklinker. De MAIN bestaat uit een viertaal plaatjesseries van elk 6 plaatjes. Deze plaatjes vormen verhaaltjes waarin meerdere verhaallijnen naast elkaar lopen. De (na)vertellingen van de kinderen kunnen worden gescoord op taalvaardigheid (grammaticale analyse van de taaluitingen van het kind), op vertelvaardigheid (aantal verhalende elementen, zoals vermelding van setting, verwoorden van acties van de hoofdpersonen, vermelden van emotionele staat van de hoofdpersonen, etc) en op verhaalbegrip (m.b.v. vragen die achteraf gesteld kunnen worden). Beide instrumenten bleken goed te differentiëren tussen meertalige kinderen met een TOS en meertalige kinderen zonder een TOS (Boerma et al, 2016; Boerma et al, 2016; Boerma en Blom, 2017).

In een Canadees onderzoek van Paradis e.a. (2003) werden 3 groepen kinderen (7 à 8 jaar) met een taalstoornis met elkaar vergeleken. Het betrof 8 simultaan tweetalig Frans/Engels opgevoede kinderen, 21 eentalig Engels opgevoede kinderen en 10 eentalig Frans opgevoede kinderen. Het doel was om te kijken of een tweetalige opvoeding van invloed is op de verwerving van bepaalde grammaticale morfemen. Opgemerkt dient te worden dat de Canadese situatie qua tweetaligheid in belangrijke mate verschilt van de Nederlandse situatie. Frans en Engels zijn beide talen met een hoge status en worden in het onderwijs en de maatschappij als belangrijkste voertalen gebruikt. Een groot deel van de bevolking beheerst beide talen. De meeste tweetalige kinderen in Nederland hebben een T1 met een lagere status dan het Nederlands en de T1 kan in grote delen van het openbaar leven niet worden gebruikt. Veel eentalige kinderen met een taalstoornis blijken moeite te hebben met morfemen die tijdskenmerken in zich dragen. Ze lossen deze problemen soms op door: 1) deze morfemen weg te laten en de stam te gebruiken: “Yesterday he walk” in plaats van “Yesterday he walked”, 2) het hele werkwoord te gebruiken: “Le camion rouler là” in plaats van “Le camion roule là”, of 3) hulp- of koppelwerkwoord weg te laten: ”A truck over there” in plaats van “A truck is over there”. Kinderen met een normale taalontwikkeling doorlopen een vergelijkbaar stadium, alleen loopt dit stadium bij kinderen met een taalstoornis langer door en maken ze meer fouten. Met andere grammaticale morfemen, zoals bijvoorbeeld de meervouds -s, hebben de kinderen met een taalstoornis veel minder problemen. Uit spontane taalanalyses bleek dat de tweetalige kinderen met een taalstoornis op dit onderdeel hetzelfde patroon vertoonden als de eentalige kinderen met een taalstoornis. Tweetaligheid leek dus geen negatieve invloed te hebben op dit aspect van de taalverwerving. De auteurs concluderen dat, mits deze uitkomst ook geldt voor andere onderdelen van de taal, dit voor de klinische praktijk betekent dat voor tweetalige kinderen met een taalstoornis dezelfde toetsen en interventiemethoden gebruikt kunnen worden als voor eentalige kinderen met een taalstoornis en dat het dus niet nodig is om ouders te adviseren hun kind eentalig op te voeden. Naar alle waarschijnlijkheid zal deze conclusie makkelijker voor de Canadese dan voor de Nederlandse situatie getrokken kunnen worden, aangezien in Nederland de kinderen meestal niet in beide talen even vaardig zullen zijn. Zie hiervoor bijv. het onderzoek van Verhoeven et al. (2011b) verderop op deze pagina.

Paradis (2004) meent dat aan een taalstoornis en aan tweetaligheid dezelfde soort problematiek ten grondslag ligt, namelijk gereduceerde input, die derhalve tot hetzelfde soort fouten zal leiden. In beide situaties wordt minder input verwerkt. In het ene geval komt dat door de omgevingssituatie waarin het kind verkeert en in het andere geval komt dat door het kind zelf (taalverwerkingsprobleem). In haar onderzoek uit 2004 richt ze zich op de productie van clitische (verkorte) objectsvormen in de spontane taal. In het Frans kan de zin ‘Brigitte regarde sa poupée’ afgekort worden tot ‘Brigitte la regarde’. ´La´ is een clitisch object, wat betekent dat het op een bepaalde vaste plaats ten opzichte van de werkwoordsvorm moet staan. Uit het onderzoek blijkt dat tien kinderen met een taalstoornis (gemiddeld 7,5 jaar) en tien normaal ontwikkelende Engelstalige kinderen met het Frans als tweede taal (gemiddeld 6,5 jaar) significant minder clitische vormen gebruiken in hun spontane taal dan tien normaal ontwikkelende eentalige kinderen van gemiddeld 7 jaar en tien normaal ontwikkelende eentalige kinderen van gemiddeld 3 jaar oud. In de meeste gevallen vindt omissie van deze vormen plaats. De tweetalige kinderen kiezen daarnaast eerder voor het gebruik van ‘ça’. Dit kan het effect van de T1 zijn, want de zinsvolgorde kan hierbij gelijk blijven (‘Brigitte regarde ça’ is een correcte uiting, net als ‘Brigitte watches it’). Paradis concludeert dat de fouten van kinderen in de T2 niet veroorzaakt worden door de invloed van de T1, maar dat transfer wel voor bepaalde foutentypen kan zorgen. Paradis besluit het artikel door te melden dat therapeuten moeten inzien dat fouten van tweetalige kinderen niet altijd door een taalstoornis komen, hoewel het foutenpatroon van tweetalige kinderen en van kinderen met een taalstoornis gelijk kan zijn. Aangezien het ook mogelijk is dat tweetalige kinderen een taalstoornis hebben, dienen zij nooit bij voorbaat uitgesloten te worden van behandeling.

Orgassa e.a. (2008) hebben onderzoek gedaan naar de relatie tussen het verwerven van een tweede taal en taalstoornissen in Nederland. Zij hebben zich daarbij geconcentreerd op het gebruik van geslacht bij lidwoorden en de vervoeging van bijvoeglijk naamwoorden. Zij vergeleken verschillende groepen leerders van het Nederlands met elkaar, waaronder: 32 eentalige normaal ontwikkelende kinderen (4-6 jaar), 25 eentalige kinderen met een taalstoornis (6-8 jaar), 19 tweetalige (Turks-Nederlands) normaal ontwikkelende kinderen (6-8,5 jaar) en 20 tweetalige (Turks-Nederlands) kinderen met een taalstoornis (6-8,5 jaar). Alle groepen kregen taken voorgelegd waarbij zij tien zinnen moesten afmaken, met ondersteuning van plaatjes. Een voorbeeldzin uit de taak voor de vervoegingen van bijvoeglijke naamwoorden is: Kijk, twee glazen. Dit is een … (groot glas) en dat is een …(klein glas). En: Ik pak … (het grote glas). Het gedeelte tussen haakjes moest daarbij aangevuld worden door de proefpersoon. Een voorbeeldzin uit de taak voor het geslacht bij lidwoorden is: Kijk, een vliegtuig. Waar is Kroko? Kroko staat voor … (het vliegtuig). En: Kijk, een vis. Waar is Konijn? Konijn staat naast … (de vis.) De conclusie van het onderzoek was dat er geen verschillend foutenpatroon is tussen de normaal ontwikkelende kinderen en de kinderen met taalstoornis. Verder concluderen de onderzoekers dat kinderen met een taalstoornis wel meer fouten maken dan normaal ontwikkelende kinderen en dat tweetalige kinderen meer fouten maken dan eentalige kinderen. Tot slot bleek uit de data dat eentalige kinderen met een taalstoornis beter scoorden dan tweetalige normaal ontwikkelende kinderen. Orgassa e.a. (2008) concluderen dat tweetaligheid een grotere invloed heeft op de taalvaardigheid dan de taalstoornis. Dit zou betekenen dat de vertraagde verwerving van het Nederlands duidelijker zichtbaar is in de taaluitingen van tweetalige SLI-kinderen dan hun taalstoornis.

Ook Salameh e.a. (2004) komen tot de conclusie dat kinderen met SLI vooral trager talen verwerven, maar niet per se anders. Zij beschrijven een longitudinaal onderzoek naar de grammaticale ontwikkeling van tweetalige kinderen waarbij het Arabisch de T1 en het Zweeds de T2 is. In dit onderzoek werden 20 kinderen getest, in de leeftijd van 4 tot 6,5 jaar, waarvan 10 kinderen met een taalstoornis en 10 kinderen zonder taalstoornis. Alle kinderen zijn drie keer op begripstaken getest met tussenposen van zes maanden. De resultaten van het onderzoek wezen erop dat de kinderen met een taalstoornis in beide talen een zelfde ontwikkeling doormaakten, al was het bij de één wat sneller dan bij de ander. Kinderen zonder taalstoornis maakten in beide talen een snellere ontwikkeling door dan kinderen met een taalstoornis. In beide groepen werden de grammaticale structuren in een vaste volgorde verworven, in vijf fasen. De herhaalde tests wezen erop dat het tempo van ontwikkeling een belangrijk kenmerk is voor ernstige taalstoornissen. De onderzoekers gaven aan dat de generaliseerbaarheid van hun conclusies beperkt is, vooral omdat ze veel moeite hadden om voldoende en bruikbare spontane taaldata bij de voorschoolse kinderen te verzamelen.


Onderzoek naar morfologische ontwikkeling
Het bestuderen van de verwerving van de morfologie is een terugkerend aspect in onderzoek naar taalstoornissen. Sanz-Torrent e.a. (2008) deden onderzoek naar de verwerving van de werkwoordsmorfologie in het Spaans en Catalaans. Daarvoor zijn 6 kinderen (3,5 tot 4 jaar) met een taalstoornis onderzocht en twee controlegroepen van elk 6 kinderen: één gematcht voor leeftijd en één voor zinslengte. Uit eerder onderzoek is gebleken dat kinderen met een taalstoornis die een moedertaal hebben met een rijke werkwoordsmorfologie, minder problemen vertonen. Dit komt o.a. door de frequentie waarmee zij in aanraking komen met morfologische elementen. In het Spaans, een taal met een rijke werkwoordsmorfologie, bleken kinderen met een taalstoornis dan ook weinig problemen met de vervoeging van het werkwoord te hebben. Daarnaast is bekend dat kinderen met een taalstoornis die een moedertaal hebben met een minder uitgebreide morfologie, langer niet-vervoegde vormen van het werkwoord gebruiken dan kinderen met een normale taalontwikkeling. Zij zullen vaker een uitgang weglaten dan een foute uitgang gebruiken, omdat ze de uitgangen niet goed toe kunnen passen. Het Catalaans kent een minder uitgebreide morfologie. Uit dit onderzoek bleek dat de Catalaans sprekende kinderen met een taalstoornis inderdaad meer infinitieven gebruikten dan normaal ontwikkelende kinderen en dit ook gedurende een langere fase bleven doen dan normaal ontwikkelende kinderen. Een belangrijke conclusie uit het onderzoek was dat kinderen met een taalstoornis vooral een vertraagd beeld van de normale taalontwikkeling laten zien. Wanneer we dit in het licht plaatsen van meertalige kinderen met een taalstoornis, geeft dit dus weinig hoop op het vinden van duidelijke markeerders van een taalstoornis in uitingen in de T2, aangezien de T2 zich per definitie zal kenmerken door een vertraagde ontwikkeling ten opzichte van eentalige kinderen. Wel is het zo dat je bij kinderen met een moedertaal met een rijke morfologie eerder zult zien dat ze foutieve uitgangen gebruiken en dat je bij kinderen met een moedertaal met een arme morfologie eerder zult zien dat ze uitgangen zullen weglaten en dus infinitieven of stam-vormen zullen gebruiken. Zie verder hierover ook de taalpagina over het Spaans.

Eerdere studies over de taalontwikkeling van normaal ontwikkelende Turkse kinderen lieten zien dat zij de morfologie in hun moedertaal vrij snel verwerven: al rond hun derde levensjaar. In een onderzoek van Babur e.a. (2007) werd gekeken of deze bevinding ook voor kinderen met een taalstoornis geldt. In de spontane taaldata van vier successief-tweetalige kinderen (Turks als eerste taal en Duits als tweede taal) werd de Turkse casusmorfologie (naamvallen) geanalyseerd. Twee kinderen met een taalstoornis en één normaal ontwikkelend kind waren ongeveer even oud (6;5/5;5/6;2). Het andere normaal ontwikkelende kind diende als controlekind en was jonger (3;1) dan de rest. Voor het Turks voorspelden de auteurs problemen in de vorm van afwijkend suffixgebruik. Substituties zouden eerder worden verwacht dan weglatingen in deze morfologisch rijke taal. De analyse van MLU in morfemen en het toepassen van een casusmarkering (ongeacht correctheid) liet zien dat één van de twee kinderen met een taalstoornis beduidend minder elementen produceerde. Het verschil in correctheid tussen de twee normaal ontwikkelende kinderen en de twee kinderen met een taalstoornis was significant met een gemiddeld foutenpercentage van 15% (taalstoornis) versus 1,5% (normaal ontwikkelend). De fouten kwamen voor bij een kleine groep specifieke naamvallen. Alle andere casusmarkeringen waren 100% correct gebruikt. Bij substitutiefouten werden verschillende semantische relaties verwisseld. De oudste kinderen maakten helemaal geen substitutiefouten, terwijl dit bij de twee jongere kinderen wel het geval was, ongeacht wel of geen taalstoornis. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat kinderen met een taalstoornis een afwijkend patroon vertoonden in gebruik van casusmarkeringen. De meest voorkomende fouten waren omissies. De instrumentalis is bij alle kinderen de laatst verworven naamval. Een nieuwe observatie is dat ook jonge normaal ontwikkelende kinderen af en toe substitutiefouten maken in het semantische domein. Het verschil tussen fouten in het syntactische (onderwerp, lijdend voorwerp) en semantische naamvalsgebruik (enkelvoud, meervoud) is opvallend en zou klinisch van belang kunnen zijn. De casusmarkering in het Turks is een probleemgebied voor de twee kinderen met een taalstoornis in deze studie, en kan niet aan de tweetaligheid toegeschreven worden. We merken nog wel op dat het hier om case studies gaat en de conclusies derhalve niet gegeneraliseerd kunnen worden naar een grotere groep. Zie verder de taalpagina over het Turks.

In een onderzoek van Verhoeven e.a. (2011a) werd een veel groter aantal kinderen onderzocht wat de conclusies beter generaliseerbaar maakt. In dit onderzoek werd onderzocht of tweetalige kinderen met een taalstoornis extra moeilijkheden ondervinden in mondelinge taalvaardigheid ten opzichte van eentalige kinderen met een taalstoornis en eentalige normaal ontwikkelende kinderen. De 96 participanten van 7 en 9 jaar werden in 4 groepen verdeeld: eentalige normaal ontwikkelende kinderen, eentalige kinderen met een taalstoornis, tweetalige normaal ontwikkelende kinderen en tweetalige kinderen met een taalstoornis. Ze vertelden een verhaal in het Nederlands naar aanleiding van een serie plaatjes. De uitingen werden geanalyseerd op lengte van de tekst, MLU en typen van ongrammaticale fouten. Uit de bevindingen van dit onderzoek bleek dat tweetalige kinderen met een taalstoornis inderdaad extra problemen hebben wat betreft MLU en grammatica ten opzichte van de andere groepen. Daarnaast werd getracht te achterhalen of kenmerken van werkwoordsmorfologie gezien kunnen worden als markeerders van een taalstoornis bij eerste- en tweedetaalleerders. Daarbij werd gekeken naar fouten in congruentie en verleden tijdsvorm. Bij fouten in congruentie werd gelet op omissie van werkwoordsvervoegingen, substitutie van het meervoud door het enkelvoud, de plaatsing van werkwoorden in de zin en overige fouten. Uit de resultaten bleek dat bij congruentie alleen het onderdeel omissie van werkwoordsvervoeging als markeerder voor een taalstoornis gezien kan worden. Bij substitutie werd alleen een hoofdeffect gevonden op tweetaligheid. Dit betekent dat substitutie een markeerder is voor tweetalige kinderen met een taalstoornis en tweetalige normaal ontwikkelende kinderen, maar niet voor eentalige kinderen met een taalstoornis. Daarnaast keken de onderzoekers naar de verleden tijdsvorm, waarbij zij op omissies en overgeneralisaties letten. In dit onderzoek werd geen bewijs gevonden voor verleden tijdsvorm als markeerder van een taalstoornis, omdat de verschillen tussen kinderen met en zonder taalstoornis alleen gevonden is in de eentalige groep. Dit betekent dat deze typen fouten ook voorkwamen in de tweetalige normaal ontwikkelende groep, waardoor het geen markeerder is van een taalstoornis. De enige markeerder voor een taalstoornis die werd gevonden, zowel bij de eentalige kinderen met een taalstoornis als de tweetalige kinderen met een taalstoornis, is omissie van de werkwoordsvervoeging, dus het gebruik van infinitieven of stam-vormen.

Ook De Jong e.a. (2007) deden onderzoek naar werkwoordsvervoeging als belangrijke markeerder van taalstoornissen. In dit Nederlandse onderzoek werd de werkwoordscongruentie onderzocht bij eentalige kinderen met een taalstoornis (7 jaar) en eentalige normaal ontwikkelende kinderen ( 4,5 jaar) en tweetalige Turkse kinderen met een taalstoornis ( 7,5 jaar) en tweetalige Turkse normaal ontwikkelende kinderen (6,5 jaar). Het Nederlands is, in tegenstelling tot het Turks, een taal met een tamelijk arm morfologisch systeem. Er is weinig morfologische variatie in de verschillende werkwoordsvormen. In dit onderzoek werd werkwoordscongruentie in de Nederlandse hoofdzinvolgorde (onderwerp- werkwoord- lijdend voorwerp) uitgelokt door de kinderen zinnen te laten aanvullen, met behulp van plaatjes. Alle kinderen waren in staat de goede woordvolgorde te hanteren. In de vervoeging van werkwoorden kwamen duidelijke verschillen tussen de normaal ontwikkelende kinderen en de kinderen met een taalstoornis naar voren. Alle kinderen met een taalstoornis lieten in ruim 20% van de gevallen de uitgang voor de 2e en 3e persoon enkelvoud weg ('jij loop', 'hij loop'). De tweetalige kinderen met een taalstoornis deden dit bovendien ook bij de meervoudsuitgang ('wij loop'). De auteurs geven aan dat niet duidelijk is of het waarschijnlijk is dat dit laatste gegeven ook bij kinderen met een andere T1 zou worden gevonden, of dat dit iets specifieks voor Turkse kinderen zou betreffen. Daarnaast zijn de tweetalige kinderen ook onderzocht in het Turks. Het Turks is een taal met een rijk vervoegingsysteem. De morfemen worden vroeg verworven door Turkse kinderen. Op basis van eerder onderzoek werd verwacht dat er meer substituties dan omissies gevonden zouden worden. Er werd bovendien verwacht dat de kinderen met een taalstoornis ook in het Turks meer congruentiefouten zouden maken dan kinderen zonder een taalstoornis, maar dat dit foutenpercentage niet zo hoog zou liggen als in het Nederlands. Er werden inderdaad vrijwel geen omissies gevonden en de kinderen zonder taalstoornis maakten helemaal geen fouten in de werkwoordsvormen. De kinderen met een taalstoornis maakten wel fouten, maar dit percentage was behoorlijk laag (7,2%). De auteurs geven aan dat de vier beschreven groepen dus te onderscheiden zijn van elkaar op het gebied van de werkwoordsmorfologie, maar dit was het duidelijkst zichtbaar in het Nederlands.

Aangezien de problematische ontwikkeling van de morfosyntaxis een terugkerend onderwerp is in publicaties over onderzoeken naar kinderen met een taalstoornis, zal dit bij iedere taal van de talenpagina's behandeld worden!

Extra belasting voor meertalige kinderen met een taalstoornis?
In een recent onderzoek van Verhoeven e.a. (2011b) richtten de onderzoekers zich op de vraag in hoeverre tweetalige kinderen met een taalstoornis problemen ondervinden in de taalverwerving. Om dit te onderzoeken is een groep tweetalige kinderen met een taalstoornis vergeleken met zich normaal ontwikkelende eentalige Nederlandse kinderen, met zich normaal ontwikkelende tweetalige kinderen en eentalige Nederlandse kinderen met een taalstoornis. De moedertaal van de tweetalige respondenten was Turks, Marokkaans Arabisch of Surinaams.
In totaal deden er 1108 respondenten aan het onderzoek mee, met een gemiddelde leeftijd van 7 jaar. De kinderen werden getest op verschillende linguïstische vaardigheden, zoals fonologische, lexicale, morfosyntactische en tekstuele vaardigheden. Bij ieder van deze vaardigheden werd vastgesteld in welke mate de beperkte input (eerste vs. tweede taal) en het taaltekort (normaal ontwikkelend vs. taalstoornis) leidden tot stagnatie of een vertraging in de taalverwerving. Bij de uitkomsten op de linguïstische taken kan geconcludeerd worden dat tweetalige kinderen met een taalstoornis op een lager niveau presteren dan de andere groepen in bijna alle aspecten van de vaardigheden in het Nederlands. Daarnaast scoren de eentalige normaal ontwikkelende kinderen over het algemeen het hoogst. Bij receptieve taken verschillen de groepen minder van elkaar dan bij productieve taken. De conclusies luiden dat eentalige kinderen bijna altijd beter scoren dan tweetalige kinderen en normaal ontwikkelende kinderen bijna altijd beter scoren dan kinderen met een taalstoornis. De achterstand is groter naarmate de kinderen ouder worden. Er wordt gesuggereerd dat deze tweetalige kinderen in Nederland met een taalstoornis in een nadelige positie verkeren: zij ervaren een verminderde input in het Nederlands omdat zij die taal pas op 4-jarige leeftijd gaan aanleren en daar bovenop komt dat zij deze verminderde input ook nog eens minder goed verwerken als gevolg van hun taalstoornis.
Belangrijk hierbij is om op te merken dat dit niet per se inherent is aan tweetalig zijn. Zie hiervoor ook de publicaties van Paradis, eerder op deze pagina. In de door haar en haar collega's beschreven situatie wordt er veel meer expliciete aandacht besteed aan het leren van de tweede taal (tweetalige regio in Canada) en wordt ook de eerste taal gestimuleerd en positief gewaardeerd, waardoor de input van de moedertaal ook sterk blijft. Dit levert een hogere mate van vaardigheid in beide talen op, ongeacht of het kind een taalstoornis heeft of niet. In deze situatie verkeren de meeste tweetalige kinderen in Nederland niet.

In een onderzoek van Crutchley (2000) lag de nadruk op de ouders van eentalige en tweetalige kinderen met een taalstoornis. Er werden twee groepen met elkaar vergeleken: 11 ouders van eentalige kinderen en 20 ouders van tweetalige kinderen. Zij werden geïnterviewd over het taalprobleem van hun kind. Bij de tweetalige kinderen werd significant vaker een verkeerde diagnose gesteld dan bij eentalige kinderen (45% tegenover 18%). Van de tweetalige kinderen met een taalstoornis had 60% eerst aan het regulier onderwijs deelgenomen. Pas daar bleek dat het kind niet kon meekomen en is het kind verwezen naar het speciaal onderwijs. Bij de eentalige kinderen was dit slechts 18%. Binnen deze twee groepen werd bovendien onderscheid gemaakt tussen goed geïnformeerde ouders en minder goed geïnformeerde ouders, op basis van twee vragen die de ouders moesten beantwoorden: 1) ‘Wie behandelt uw kind?’ en 2) ‘Wat gebeurt er tijdens de behandeling?’ Uit het onderzoek bleek dat evenveel tweetalige als eentalige ouders wisten door wie hun kind werd behandeld. Op de vraag wat er tijdens de therapie gebeurt wisten eentalige ouders dit duidelijk beter. De meeste ouders van de tweetalige kinderen met een taalstoornis (inclusief de ouders die als ‘goed geïnformeerd’ werden bestempeld) gaven aan dat ze dachten dat de moedertaal het Engels (de tweede taal) zou hinderen. Een groter percentage dan verwacht, werd zelfs aangemoedigd door de taaltherapeut om met het kind alleen nog Engels (tweede taal) te spreken. Uit het onderzoek komt duidelijk naar voren dat de onderzoekers hadden verwacht dat meer ouders van tweetalige kinderen minder goed op de hoogte zouden zijn van wat er met hun kind gebeurt en dat daar nog veel te winnen zou zijn. Nu is er wel een verschil gevonden tussen ouders van eentalige kinderen en ouders van tweetalige kinderen, maar uit het onderzoek kwam ook naar voren dat er vooral ook nog veel te winnen valt in het informeren van taaltherapeuten over meertaligheid.

Leestips:
In een recent boek van Paradis e.a. (2011) wordt een overzicht gegeven van vooraanstaande internationale onderzoeken op het gebied van meertaligheid en tweedetaalverwerving. Tevens is er een hoofdstuk gewijd aan meertaligheid en taalstoornissen en een hoofdstuk aan meertaligheid en leesstoornissen.
Zie de bibliografie.

Een andere recente publicatie betreft het boek Assessing Multilingual Children (2015) van Sharon Armon-Lotem, Jan de Jong en Natalia Meir.